Hoe Orbán daklozen het bos in stuurt

Hoe Orbán daklozen het bos in stuurt

Hoe Orbán daklozen het bos in stuurt

De bekritiseerde maatregel van de Hongaarse premier verandert het straatbeeld in Boedapest. „Ze worden het duister in geduwd.

Wakker worden onder 10 centimeter sneeuw: ook dat went, zegt Péter Mudra op het Blaha Lujzaplein in Boedapest. „Ik heb achttien winters overleefd als dakloze: ik ben Petrus, de rots”. De 61-jarige ex-mijnwerker met vlassige witte baard lacht één zichtbare tand bloot. Rond zijn rechterarm heeft hij enkele bezittingen gekromd: een vork en een lepel.

Maar je waar je niet aan gewend raakt, zijn mensenstreken, zegt Mudra, dakloos nadat hij zijn baan verloor en zijn huwelijk strandde.

„Feestgangers die op ons plassen. Ik droomde laatst dat ik het duivels warm had. Bleek dat iemand me in brand probeerde te steken.”

Sinds een maand heeft Mudra er een probleem bij. In juni nam de nationaal-populistische regering van premier Viktor Orbán een verbod op dakloosheid op in de Grondwet. Half oktober werden wetsveranderingen van kracht die het verbod omzetten in de praktijk. Sindsdien kan de politie mensen die „publieke plaatsen als regelmatig onderkomen” gebruiken, zoals Mudra, wegsturen van hun slaapplaats met een waarschuwing.

Wie drie waarschuwingen krijgt, zit tot 72 uur vast en verschijnt voor een rechtbank die een formele waarschuwing kan uitspreken. Een tweede keer voor de rechter kan leiden tot een taakstraf, een derde keer tot een celstraf van maximaal zestig dagen. De politie deelde al meer dan 200 waarschuwingen uit. Acht daklozen verschenen voor de rechtbank.

oor Mudra en Margo Csillak Bélané, de 61-jarige vrouw met wie hij optrekt, betekent het verbod dat ze verjaagd worden uit de warme ondergrondse gangen van het metrostation onder het plein. ‘Blaha’ en andere centrale metrohaltes waren tot voor kort drukke ontmoetingsplaatsen voor daklozen. Nu zijn ze leeg, een verandering waarover Orbán-gezinde media vol lof berichten.    De premier probeert dakloosheid al sinds 2012 te bestraffen. Nadat het constitutionele hof dit verhinderde, herschreef zijn partij de Grondwet opdat lokale besturen daklozen kunnen weren van specifieke plaatsen. Met het algehele constitutionele verbod verlegde Orbán een nieuwe, onaanvaardbare grens, zeggen critici. Zij beschuldigen hem ervan een hardvochtige schijnoplossing te bieden voor een hardnekkig probleem.

De regering „straft een extreem kwetsbare groep”, schreef VN-huisvestingsrapporteur Leilani Farha in een open brief in juni, „voor haar eigen falen om verplichtingen qua internationale mensenrechten inzake adequate huisvesting te halen.”

De regering zegt jaarlijks bijna 30 miljoen euro uit te trekken voor daklozen. Ze beloofde er 930.000 euro bovenop te doen. „Wij geloven dat we extra hulp en niet extra rechten moeten geven aan daklozen”, zei staatssecretaris Bence Rétvári. Volgens de regering kunnen alle daklozen terecht in opvangcentra die in totaal 19.000 bedden tellen. Hulporganisaties ramen het aantal daklozen alleen al in Boedapest op wel 30.000.

Mudra en Csillak Bélané blijven liever weg uit de opvang. Daar worden ze gescheiden, is het soms knokken in de rij en vaak ook in de slaapzaal met andere, beschonken daklozen. „We slapen nu achter de kerk daar.” Andere daklozen bouwen hutjes in de bossen buiten de stad. Ook daar worden ze vaak weer weggestuurd door politie, eigenaars of opzichters. „Van extra hulp merken we niets”, zegt András Rákos, bestuurder bij een stichting die een daklozenopvang voor driehonderd mannen runt. Wel verliezen buurtwerkers het contact met daklozen, zegt hij, omdat ze zich meer verspreiden. „Ze worden het duister in geduwd.”

Zijn collega Ákos Györffy toont de slaapzalen: twaalf versleten bedden per zaal. De geur is het samengeklonterde aroma van tientallen ongewassen lijven. „Hier heb je de zaal voor de mensen die om 4 uur ’s ochtends opstaan omdat ze een baan hebben.” Met hun loon, zegt Rákos, maken ze geen kans een woning te huren in een stad waar huurprijzen de hoogte inschieten en het aandeel sociale huisvesting onder 5 procent ligt. „Sommigen wonen er al bijna 20 jaar.”

„Het gebrek aan sociale huisvesting is een groot probleem”, erkent een Fidesz-politicus die spreekt op voorwaarde van anonimiteit. Om echt iets te doen aan het daklozenprobleem zou de regering meer dan twee keer zoveel nieuwe opvangplaatsen moeten creëren, zegt hij. Gevraagd waarom de regering dakloosheid verbiedt voor ze alternatieven geregeld heeft, verwijst hij naar kiezers die boze brieven schrijven over daklozen die op straat plassen en poepen. Orbángezinde media ondersteunen dit sentiment. „Hoe lang stellen de daklozen ieders geduld nog op de proef?” kopte tabloid Ripost over daklozen die hun slaapplaats verlegden naar andere metrostations en parken. „Mogen zij dan alles?”

„De regering zoekt groepen in de samenleving die ze kan aanvallen en rekent op het gebrek aan solidariteit in dit land”, zegt advocaat Sándor Ésik in zijn kantoor met uitzicht op het parlement. Ésik startte een petitie tegen het nieuwe daklozenbeleid nadat hij op een nieuwswebsite beelden van een hoorzitting met een dakloze vrouw zag. „Een farce.” De vrouw werd via een videoverbinding verhoord, ook al bevond ze zich in hetzelfde gebouw. Ésik: „Ik denk dat ze haar niet wilden ruiken.”

Dat twee rechtbanken de nieuwe wet naar het constitutionele hof verwezen voor toetsing, geeft Ésik hoop. Maar meer dan op rechters, denkt hij dat de overheid haar tanden stuk zal bijten op de sociale realiteit. „Dakloosheid verbieden is even zinloos als de zonsopgang verbieden.”

Bron: NRc  .nl

Stadswandeling met een dakloze gids?

Geef een reactie

Sluit Menu