Dakloze jongeren dromen: ‘Mijn plek, mijn regels, mijn thuis’

Dakloze jongeren dromen: ‘Mijn plek, mijn regels, mijn thuis’

Dakloze jongeren dromen: ‘Mijn plek, mijn regels, mijn thuis’.

Het aantal zwerfjongeren in Den Haag stijgt. Goede hulpverlening is er niet altijd. “En op een gegeven moment ga je met verkeerde mensen om. Die agressief zijn, dealen, drugs gebruiken.” Luisa en Dave zitten nu in de opvang van het Leger des Heils.

at ik dakloos ben, betekent niet dat ik vies hoef te zijn.” Luisa Franco (22) zit met haar vriendin Dave* (22) op een bankje aan de Trekvliet in Laak. Jassen aan, maar de zon schijnt. Op nog geen tien meter afstand ligt het door water onbereikbare Capriole Café in de Binckhorst. Luisa: “Ik ben het zat dat iedereen alleen een stereotype ziet. Een bedelaar, kapotte schoenen. Ik heb gewone schoenen.”

Hoeveel dak- en thuisloze jongeren er zijn in Den Haag, is moeilijk te zeggen. Ze melden zich niet, of erkennen niet dat ze dakloos zijn en gaan van logeerbank naar logeerbank. Wethouder Bert van Alphen (GroenLinks, sociale zaken) en zijn team gaan uit van drie- a vierhonderd zwerfjongeren.

Maar ze houden vele slagen om de arm. Wel duidelijk is dat het aantal stijgt. Mede door bezuinigingen in de geestelijke gezondheidszorg en doordat de woningmarkt op slot zit. Uitstromen vanuit de maatschappelijke opvang is dus erg moeilijk.

Crisis

De twee op het bankje wonen bij het Leger des Heils in de opvang voor meiden tussen de 18 en 23 jaar aan de Noordpolderkade. Dave zit in kamertraining (begeleid wonen) en volgt een opleiding tot beveiliger. In april studeert ze af, als alles goed gaat. Luisa zit in hetzelfde gebouw al maanden op crisis.

Martijn de Graaf, afdelingsmanager, klinkt mistroostig als hem gevraagd wordt hoelang meiden in de crisis zitten. “Lang, te lang. Gemiddeld tussen de zes en tien maanden. Op papier is de bedoeling acht tot twaalf weken.”

De crisisopvang voor meiden is nog relatief ‘luxe’. Een kamer wordt gedeeld met twee of drie dames, terwijl de jongens, die tegenwoordig aan de Binckhorstlaan zitten, met z’n achten of tienen op een slaapzaal liggen.

Hét grote nadeel: van negen uur ’s ochtends tot vijf uur ’s middags móéten de crisismeiden naar buiten. Een geldkwestie. De begeleiders zien het ook liever anders. Marieke Bakker, crisismanager bij het Leger des Heils: “Ga bij iemand op de bank slapen, als het even kan. Dat zeg ik vaak. Want je ziet dat verplicht buiten zijn ze op een gegeven moment wel opbreekt.”

Dealen

Dave zwierf vier maanden rond. Eerst werd ze door haar broer uit huis gezet. Daarna barstte de bom met haar vriendin, bij wie ze woonde. Ze sliep overal: “Onder een brug in Groningen, bij vrienden, maar ook bij mensen die ik niet kende. Die zeiden: ‘Kom maar,’ omdat ik midden in de nacht op straat liep. Ik wist niet van de nachtopvang.” Luisa: “En op een gegeven moment ga je met verkeerde mensen om. Die agressief zijn, dealen, drugs gebruiken.” Dave vult aan: “Pooiers.” Haar ex bleek een lovergirl. “Zij is gek man.”

Omdat ik schijt had. Niemand wil mij helpen, waarom zou ik mezelf helpen?

Als het koud is, kunnen dakloze jongeren naar de Pathé-bioscopen in de stad met een pas die voor hen wordt geregeld. “Soms slaap ik er,” zegt Dave. Maar het liefst blijven ze in de buurt van de opvang.

Luisa: “Ik had standaardplekken om heen te gaan in het begin. Het Asta-casino aan het Spui bijvoorbeeld. Niet om te spelen, maar omdat je er kan drinken, naar de wc gaan. Af en toe kan je mee-eten. Maar als ze je elke dag zien, komen de vragen. Nu zien ze me niet meer. Dus ze denken dat het goed gaat. Ik wil ook niet dat veel mensen het weten. We hebben hier in de buurt gelukkig genoeg bankjes en genoeg parkjes. Je hoopt gewoon dat niemand je ziet, zodat niemand je de vraag kan stellen.”

Nieuwe Kerk

Waar ze sowieso níet meer komen, is de Nieuwe Kerk. Dave: “Ik wil zo graag dat die plek wordt aangepakt door de gemeente. Daar komen de jongens om meisjes te zoeken als slachtoffer. Er komen junkies, dealers, daklozen, alcoholisten, drugsverslaafden.” Ook de dagopvang aan de Laan van Meerdervoort vermijden ze liever. “Geen pretje, als jonge meid. Iedereen komt daar.”Foto: Eveline van Egdo

Op dagen dat Dave geen stage heeft, zoals nu, zijn ze samen. Als ze worden aangesproken door de politie, schuiven ze een bankje op. Tussen de middag halen ze een broodje bij de Surinamer om de hoek bij de Wenkebachstraat, en een blowtje bij de coffeeshop tegenover het basketbalveld in het Puntpark. Voor Dave zijn drugs lang een probleem geweest. “Zo kon ik niet op deze wereld zijn en niet me bewust zijn van alle dingen die om me heen gebeurden.”

In plaats van elke twee uur rookt ze nu één ‘blowtje’ per dag maximaal. Van de harddrugs is ze af. Maar het is duidelijk dat er nog veel woede en verdriet is om te verwerken.

Schouders

Luisa vertelt haar verhaal nuchterder. Ze lacht veel, juist op momenten dat de heftigste dingen worden gezegd, en haalt vaak haar schouders op, als om te zeggen: ‘Het is nu eenmaal zo.’

Luisa is deel van de groep dakloze jongeren met een jeugdzorgverleden. Op je achttiende verjaardag stopt die zorg. Als de overgang niet goed geregeld is, gaat het vaak mis. Hier is de politiek druk mee bezig. Luisa moest weg bij de kamertraining van Jeugdformaat. Ze nam een studio, maar die was te duur. “Ik moest gaan kiezen: huur, zorgverzekering of eten. Ik koos voor eten, drinken en sigaretten.”

Van daaruit hoopten de problemen zich op. “Omdat ik schijt had. Niemand wil mij helpen, waarom zou ik mezelf helpen?”

‘Maar ik kan ook wel goed verbergen. Ik kan makkelijk alles weglachen’Luisa

Gedurende de dag vertelt ze, zo zegt ze zelf, ongeveer tien procent van haar verhaal. “Dat is al erg genoeg. Heb een niet zo leuke ervaring gehad toen ik zestien was. Iets dat geen meisje mee moet maken.”

De dader werd opgepakt, nadat ze aangifte had gedaan. “Maar hij is ook weer vrijgelaten.” Omdat hij haar op kwam zoeken, was het niet meer veilig om thuis te wonen. Ook niet voor haar moeder en pasgeboren zusje. Via een crisisopvang – ‘geheim adres’ – kwam ze terecht bij een intensief logeerhuis in Scheveningen. Daar maakte ze een overval mee en werd ze lastiggevallen door een beveiliger.

“Die ging foto’s van me maken terwijl ik op de bank zat.” Ze lacht: “Dat was dus mijn beveiliger.”

Moeder

“Ik heb nooit iemand gehad die zei: ‘Luisa, pas op!’ Ja, mijn moeder. Maar ik nam haar nooit serieus, letterlijk nooit. Daar schaam ik me voor. Totdat ze me belde: ‘De politie zoekt je.’ Nou, toen ging ik helemaal geen moeite meer doen. Paspoort verlopen, ik ging steeds dieper. Toen heb ik mijn ex leren kennen, hij vroeg of ik bij hem kwam wonen. Afgelopen februari is mijn zoontje geboren.”

“Maar hij is overleden tijdens de bevalling. Toen dacht ik: weet je wat, ik ga terug naar mijn moeder om mijn leven op orde te krijgen. Maar twee weken na de bevalling heeft ze me op straat gezet. Toen kwam ik bij de Kessler (stichting die nachtopvang runt, red.). ‘Niet schrikken, dit is erger dan de gevangenis,’ dat zeggen ze gewoon tegen je. De mensen die je ziet, de geur die je ruikt. Niemand om je heen die je kent. Ik heb gewoon de hele avond gehuild. De hele avond. Mijn tranen waren letterlijk op. Dan begint je leven op een hele andere manier.”

Als ik dit werk ook ga doen, kan ik mensen wél helpen. Want ik weet hoe het is, ik weet hoe het voelt.Luisa

Inmiddels is ze de meeste hulpverlening zat. Meerdere malen overwoog ze uit het leven te stappen. “Bij die overval had de politie gezegd dat ik recht had op Slachtofferhulp. Maar die zeiden: ‘Je zit bij Jutters, dus die moeten je verder helpen met traumabehandeling.’ Toen zei Jutters (kind- en jeugdpsychiatrie, red.): ‘Nee, dat hebben we niet.’ Toen heb ik weer Slachtofferhulp gebeld en die zeiden: ‘Wel.’ En toen dacht ik: weet je, laat maar. Ik was er helemaal klaar mee.”

Psycholoog

Via haar eigen huisarts kwam er nog een psycholoog aan te pas. “Die zei dat er niks met me aan de hand was. Nou, óke.” Ze rolt met haar ogen. “Maar ik kan ook wel goed verbergen. Ik kan makkelijk alles weglachen.”

Het leven in de opvang is langzaam. “Het duurt allemaal veel te lang,” verzucht Luisa. “Eerst wilde ik mijn diploma’s. Maar nu wil ik vooral een eigen plek. Dat verandert door de situatie waar je in zit. Mijn plek, mijn regels, mijn thuis. Ik heb rust nodig. Stabiliteit.”

Voorzichtiger

“Ik hecht niet zo snel meer. Ik ben voorzichtiger geworden,” zegt Luisa. Maar op de groep in de opvang, is dat anders. Inmiddels is een hechte groep van acht vriendinnen ontstaan. Dave: “We zien aan elkaar als het niet gaat. Dan kunnen we helpen. Even een sigaretje roken.” Luisa: “Maar je kan ook je rust vragen. Iedereen begrijpt het als je zegt: nu even niet. Je kan jezelf zijn. Dat heb je niet overal.”

Met hun kennis en ervaring zien ze allebei een toekomst in de hulpverlening. Dave wil vooral zorgen voor een veilige plek. “Voor jonge dames en voor weeskinderen. Een plek waar ze kunnen eten, komen, zichzelf uiten, met mensen kunnen praten.”

Luisa gaat in februari weer naar school. “Sociaalpedagogisch medewerker.” Hulpverleners vertrouwen doet ze niet zo snel. “Niemand weet het écht. Niemand praat écht met je. Ze doen het omdat het hun werk is. Dat voel je. Door die jaren ben ik gaan beseffen: als ik dit werk ook ga doen, kan ik mensen wél helpen. Want ik weet hoe het is, ik weet hoe het voelt. Ik weet hoe mensen zich kunnen gedragen in deze situatie. Dus ik sta er echt open voor.”

Tegen het eind van de middag is het tijd om afscheid te nemen. Af en toe is het emotioneel geworden. Maar als ze samen op de foto gaan – stoned – is de lach weer terug.

Bron: denhaagcentraal .nl

Geef een reactie

Sluit Menu